Uit het werkcollege van vorig jaar, over de functie van de godsidee. 't Is misschien wat te gedetailleerd om te verwerken in uw antwoord, maar het kan misschien helpen als er iets onduidelijk was in de hoorcolleges.
De oorsprong van de categorieën vond Kant reeds eerder in de vier logische functies, dus kan hij niet anders dan de oorsprong van de rede-ideeën in de syllogismen te zoeken. Merk op: hij kan niet anders. Kant heeft namelijk eerst een metafysische deductie uitgevoerd en in deze exhaustieve en dus betrouwbare analyse van wat de zuivere rede bevat is hij naast de vier categorieën ook op de drie syllogismen gestoten. Omdat de metafysische deductie exhaustief was en de categorieën reeds de oorsprong van de verstandskennis zijn, is er geen andere mogelijkheid dan de rede-ideeën te zoeken in de syllogismen. Dit exhaustieve beschouwde Kant als het grote voordeel van zijn filosofie. Dankzij deze methode kon hij er zeker van zijn dat hij het gehele veld van de rede beslagen had.
Dit zoeken naar de oorsprong van de verstandskennis en rede-ideeën noemt men trouwens de transcendentale deductie. Na de metafysische deductie die aantoont dat de categorieën en syllogismen er zijn en met hoeveel ze zijn, toont de transcendentale deductie aan waarom deze in de zuivere rede aanwezig moeten zijn.
Deze syllogismen zijn: het categorische (s=p), het hypothetische (s→p) en het disjunctieve (s v p) syllogisme en ze komen respectievelijk tot de ideeën van het Ik, de wereld en God.
Op welke wijze komen ze nu tot deze ideeën? Hiervoor is een analyse nodig van de drie syllogismen. Ten eerste: het categorische. Het categorische syllogisme is gebaseerd op de relationele categorie van substantie. In het categorische oordeel zien we immers duidelijk dat er een predikaat aan een subject wordt toegeschreven. Door het steeds hoger opklimmen in de lijn van de substantie, zal men dus uiteindelijk komen tot de idee van een onveroorzaakte substantie.
Het hypothetisch syllogisme vindt haar grond in de relationele categorie van de causaliteit. In het hypothetische oordeel zien we hoe twee oordelen zich tot elkaar verhouden als oorzaak tot gevolg. Door het steeds hoger opklimmen in de lijn van de causaliteit, zal men dus uiteindelijk komen tot de idee van een onveroorzaakte oorzaak.
In het disjunctieve syllogisme herkennen we de relationele categorie van de gemeenschap. Deze gemeenschap zit in het feit dat ze samen de sfeer van één kenniseenheid vullen. Als ik stel dat de wereld of onveroorzaakt is, of een innerlijke oorzaak heeft, of een uiterlijke oorzaak, dan sluiten deze drie elkaar weliswaar wederzijds uit, maar in hun geheel bepalen ze de ware kennis. Door steeds hoger op te klimmen in de lijn van gemeenschappelijkheid, zal men dus uiteindelijk uitkomen bij de idee van het onvoorwaardelijke geheel van alle kennis. Er is nog een tweede manier om deze gemeenschap te beschouwen. In de relatie van substantie en causaliteit is er duidelijk sprake van ondergeschiktheid en eenzijdigheid: het ene is bepalend voor het andere. In een hypothetisch oordeel ziet men dat het ene oordeel het andere oordeel niet kan bevatten en stelt men ze daarom nevengeschikt op; ze bepalen elkaar wederkerig als in een samenstel.
Dit laatste kan misschien nog wat extra uitleg gebruiken, gezien het niet even vanzelfsprekend is als de vorige twee. Hoe gaat dit opklimmen van het disjunctief syllogisme precies in zijn werk?
Men vertrekt vanuit een bepaald begrip als ingedeeld (‘mens’). Onder dit begrip staan een resem eigenschappen disjunctief geschikt (blond, zwart, blank, ziend, NIET: blind, want er zitten geen negatieve/afgeleide predikaten in) . Zoals eerder al aangetoond bepalen deze lagere begrippen samen de gehele waarheid met betrekking tot het begrip mens. Het begrip mens is hier dus de verenigende factor voor de ‘lagere’ predikaten. Er is echter nog een stap boven ‘mens’ ook, dier bijvoorbeeld. Dit opklimmen gaat door ad indefinitum, totdat alle mogelijke predikaten geplaatst zijn.
Dit geheel van alle mogelijke predikaten, de omnitudo realitatis, heeft echter ook weer een verenigend principe nodig. Deze eenheid is voor Kant de godsidee. Als principe dat ten grondslag ligt aan alle realiteit, is de godsidee meteen ook het principe dat ten grondslag ligt aan alle mogelijkheid, gezien deze bij Kant onlosmakelijk verbonden zijn. Merk meteen op dat realiteit dus niet hetzelfde is als objectiviteit.
Tenslotte dient ook nog vermeld te worden dat de omnitudo realitatis onontbeerlijk is, wil men een bepaald begrip volledig te bepalen. Voor de volledige bepaling van een object X moet ik niet alleen weten wat het is, maar ook wat het niet is. Van alle predikaten binnen de omnitudo moet ik dus vaststellen of ze ja dan neen aan dat object toekomen.